Reset.

reset-omslag-klein

Hoera, mijn boek is eindelijk af! “Reset” heet het.

Wat voor boek het is? Oh, hoe zeg ik dat? Ik vind het best lastig om te bepalen onder welk genre het valt. Het kan een thriller zijn, maar ook een psychologische roman… Het heeft van beide wel wat. Maar omdat de liefde, de tijd én de wederkerige invloed van herinneringen tussen die liefde en tijd centraal staan in dit verhaal, noem ik het een filosofische roman.

Goed… Waar gaat het boek over? Reset gaat over Falk, een man van tweeënveertig. Na de basisschool had hij het contact verloren met zijn beste vriend Jeremiah en vriendinnetje Nanet. Pas 30 jaar later ziet hij hen weer terug. Falk is meteen weer geobsedeerd door Nanet, net zoals hij vroeger al was, en hij heeft er alles voor over om tijd met haar door te brengen. Nanet wil met hem en Jerry (Jeremiah laat zich tegenwoordig Jerry noemen) een experiment doen. Een experiment om hun tijdsbesef te beïnvloeden, om het gevoel te krijgen dat hun levensduur verlengd wordt. Voor de uitvoering van dat experiment komen ze met z’n drieën eens in de twee weken bijeen bij een oude, verlaten bouwkeet. Falk is genoodzaakt dit te verzwijgen voor zijn vrouw en dochter. Het experiment is niet het enige dat verzwegen wordt… Waarom reageert Jerry zo vreemd op vragen over vroeger en waarom zendt Nanet vaak tegenstrijdige signalen uit naar Falk?

14358724_10209234132187772_7366257802403736275_n

Hieronder kun je een fragment lezen uit Reset:

Jerry wenkt me op een ongeduldige manier. “Schiet nou toch op!” commandeert hij.
Maar… ze hebben zich nog niet omgekleed. Ik ook niet. Waarom gaan we dat niet eerst even doen, zoals altijd?
Ik loop naar hen toe. Ze praten ergens over. Ik wil het horen. Ik kan hen niet verstaan, maar aan Jerry’s gezichtsuitdrukking te zien, is het geen vrolijk gesprek; hij kijkt nogal chagrijnig. Mijn nieuwsgierigheid doet me sneller lopen. Ik wil rennen, maar ik wil ook niet dat het lijkt of ik als een hondje alle bevelen van Jerry opvolg, dus ik bedwing mijn impuls en wandel onopvallend, maar toch in een stevig tempo, naar hen toe. Als ik dichterbij ben, zie ik dat Jerry’s gezicht intussen op onweer is gaan staan.
Nanet lijkt opgelucht me te zien.
“Dag Nanet,” begroet ik haar vrolijk, op dezelfde manier als dat ik altijd doe. Alsof ik niet door heb dat er iets speelt.
Nanet knikt me toe. Ze ziet er wat triest uit. Is ze geëmotioneerd en zegt ze daarom niks terug?
Jerry geef ik een kameraadachtige schouderklop. “Ha Jerry, alles goed met je, jongen? Hoe is ’t nu met je?”
“Laten we daar maar over ophouden.”
Huh? “Waarover moet ik ophouden?” vraag ik.
“Over hoe het met me gaat.” Jerry vouwt zijn armen over elkaar. “Elke keer als we hier zijn, moeten jij en Nanet zo nodig praten over de afgelopen weken. Over wat we allemaal deden, met wie we spraken, hoe het op het werk ging, hoe het met  die-en-die is! Al die onzin… Cut the crap! We komen hier om  31 juli 1982 te herbeleven. Dat hebben we afgesproken. Laten we ons daaraan houden.”
Nanet draait zich naar hem toe. “Maar Jerry, ik begrijp je niet. We houden ons daar toch ook aan?”
Jerry zucht. “Jij vraagt altijd eerst of het goed met me gaat en of ik nog wat leuks gedaan heb. Stop daar nou eens mee, Nanet. Het is alleen maar een formaliteit. Een overbodige formaliteit.”
“Formaliteit? Ik vraag het gewoon uit belangstelling, hoor. Wil jij dan niet weten wat ons bezighoudt? Je doet net of het je ineens geen bal meer interesseert hoe het met ons gaat.”
“Dat is het punt niet. Het punt is, dat het ons afleidt. Ik wil niet dat het heden het beeld van 1982 aantast.”
“Ik kan je even niet volgen, Jerry,” zeg ik.
Jerry staat op en gaat voor recht voor mijn neus staan. Iets te dichtbij, vind ik. Ik probeer ongemerkt een stap achteruit te doen. “Kijk,” zegt hij, terwijl hij me priemend aankijkt, “als we het uur uit 1982 herbeleven, dan zie ik ons als twaalfjarige kinderen. Precies zoals we waren. Nee, ik moet zeggen: precies zoals ik jullie altijd herinnerde! Maar hoe meer ik te weten kom over jullie ná 1982, hoe meer het beeld dat ik van jullie heb, verandert.”
“Hoezo?” vraag ik. Waar wil hij naar toe?
Jerry trekt zijn wenkbrauwen omhoog. Zijn ogen lijken nu groter dan anders. Wat een felle ronde kraaloogjes heeft ie.
Jerry zegt: “Stel, Jan gedraagt zich als kind altijd super vrolijk. Je denkt dan: ‘Wat een heerlijk blij, zorgeloos kind’. Maar stel dat dezelfde Jan op latere leeftijd zelfmoord pleegt. Dan denk je: ‘Jan deed vroeger zo overdreven vrolijk om zijn depressiviteit te verdoezelen’. Snap je? Elke gebeurtenis krijgt dan een andere betekenis. De beleving verandert dan mee.”
“Dat is ook wel een extreem voorbeeld, hè,” reageer ik laconiek.
“Nou, iets dichter bij huis dan: ik dacht vroeger altijd dat Nanet veearts wilde worden. Nu weet ik, dat ze een psycholoog is. Kennelijk had ik haar interesses vroeger helemaal verkeerd ingeschat.”
“Oh… Ja… Daar zit wel wat in. Maar als…”
“Geen gemaar nu, alsjeblieft,” kapt Jerry mijn zin af. “Voordat we beginnen met de Resets wil ik gewoon niet meer van die onzinnige vragen horen. ‘Hoe gaat het?’ ‘Goed, met jou ook?’ Bwèh!” Hij rilt theatraal. “Voortaan gaan we bij aankomst meteen beginnen.”
“Nou moe,” zucht Nanet. Ze slaat haar benen over elkaar. “Prima, hoor. Wat ongezellig…” Beteuterd kijkt ze naar haar vingers die om haar bovenste knie ineengestrengeld zijn. Ik zie dat ze haar lange nagels in het vlees van haar handen drukt.
“We kunnen wel elke keer blijven napraten, zodat je de gezelligheid niet hoeft te missen,” zeg ik, in een poging Jerry’s woorden wat te verzachten.
Nanet kijkt naar me op en glimlacht. “Gelukkig maar.”
Ze glimlacht zo mooi. Ik wil haar zeggen dat ze nog net zo mooi glimlacht als toen ze een meisje van twaalf was. Ik zou haar nog veel meer willen zeggen! Als Jerry er nu niet bij was… Was hij maar nooit teruggekomen uit Java.
Nanet staat nu ook op en gaat tussen Jerry en mij in staan. Ze kijkt ons een voor een eventjes aan. “Zullen we ons nu dan maar gaan omkleden?” vraagt ze. “Anders kunnen we niet op tijd beginnen.”
“Nog niet,” zegt Jerry beslist, “ik wil eerst dat het duidelijk is. We mogen alleen met elkaar praten zolang we het over onze kindertijd hebben, de tijd tot en met 31 juli 1982. Nooit over de tijd daarna! Helemaal nooit!”
“Helemaal nooit?” reageert Nanet beduusd. “Hoe kun je dat nou zeggen? Ik mag toch zeker wel vragen hoe het met Susan gaat, met haar zwangerschap en zo? En straks vertel je toch ook wel hoe jullie kindje heet als het geboren is?”
“Nee.”
Nanet kijkt Jerry ongelovig aan. “Doe niet zo idioot.”
Ik lach. “Nanet, dat meent ie heus niet.”
“Dat meen ik wel,” zegt Jerry onvermurwbaar. Zijn stem klinkt koud.
“O,” zeggen Nanet en ik tegelijk.
Jerry zet zijn handen in zijn zij. “Ik meen het. We treffen elkaar hier twee keer per maand om onze jeugd te herbeleven. Dat bevalt ons alle drie goed, nietwaar?”
Nanet en ik kunnen niks anders dan knikken.
“Om dat zo te houden, moeten we ervoor zorgen dat we niks doen wat dat kan verstoren. We moeten het beeld van ons, van hoe we waren, zuiver houden. Ik wil dus geen enkele informatie meer krijgen over jullie werk, relaties, familie, sport en hobby’s. Niks van dat alles. Ik stel voor dat we voortaan doen alsof het 1982 is, zodra we elkaar zien. Dus we praten van nu af aan alleen maar over tóen, of over wat we ons nog van daarvóór herinneren. Duidelijk?”
“Maar dat helpt toch niet?” sputtert Nanet tegen. “Want als we elkaar tussen de Resets door spreken, hebben we het wél over het heden.”
Jerry schrikt duidelijk. “Spreken jullie elkaar dan ook buiten deze bijeenkomsten? Dat zouden we niet doen!”
“Nou…” aarzelt Nanet, “tot nu toe hebben we dat nog niet gedaan, maar het lijkt me wel leuk om…”
“Dat mag niet,” onderbreekt Jerry haar.
Nanet verheft haar stem een beetje: “Het lijkt me wel leuk om weer eens gewoon met elkaar af te spreken!”
“Dat mag niet,” herhaalt Jerry streng.
Nanet kijkt verschrikt. “Wat zeg je nou?”
“Ik verbied het.”
“Nou ga je echt te ver, Jerry,” zeg ik. “En trouwens, ik moet jullie nog wat belangrijks vertellen! Er gebeurde zonet iets heel raars hier. Ik zag…”
Jerry kapt mijn zin af met een handgebaar, zonder me een blik waardig te keuren. “Ik zeg dit in jullie eigenbelang,” zegt hij. “En vooral in die van jou, Nanet.” Jerry kijkt haar recht aan. “Als jij jouw experiment wilt laten slagen, dan kunnen we geen deel van elkaars leven in het heden uitmaken.”
“Maar Jerry, je bent al zo lang uit mijn leven geweest,” zegt Nanet, “ik ben juist zo blij, dat ik je weer terug heb! Ik wil ons contact nu behouden!”
“Snap ik, Nanet, maar je wilt óók ontzettend graag ons mooie speeluurtje uit 1982 bewaren, nietwaar? Het is het een of het ander. Kies maar.”
De tranen staan Nanet in haar ogen. Ik ben te overdonderd om wat tegen Jerry in te brengen. De zon staat op mijn hoofd te branden, ik voel me benauwd door de drukkende warmte en snak naar wat drinken. Het liefst wil ik me omdraaien en weglopen, naar huis.
“Afgesproken dus,” concludeert Jerry. “Ja, hoor eens, ik vind het ook vervelend dat het zo moet, maar geloof me, dit is het beste voor ons allemaal.”
Nanet opent haar mond, maar Jerry steekt zijn wijsvinger omhoog en zegt luid: “En zodra ik merk…” Hij houdt zijn vinger even tegen een zijkant van zijn neus aan – waarbij het me opvalt dat zijn neusvleugels verwijd zijn –  en kijkt Nanet en mij onverbiddelijk aan. “Zodra ik merk dat jullie je niet aan de afspraak houden, kap ik met deze bijeenkomsten. Hoe jammer ik het ook vind. Ik heb geen zin om jarenlang tijd in een project te steken, waarbij ik van tevoren al weet dat het een aflopende zaak wordt. We gaan hiermee door, onder voorwaarde dat we alleen over het verleden praten. Of we stoppen nu! Nanet, zeg het maar.” Hij priemt zijn wijsvinger tegen Nanets slaap, als een geladen pistool. “Stoppen of doorgaan?”

Reset is nu te koop via Boekenbestellen.nl. Meteen bestellen? Ja, doen, maak mij blij! 🙂 En… ik zou het heel leuk vinden als je me laat weten of je zelf ook blij bent geworden van het lezen van Reset.

Tine de Jong – Veenstra

Advertenties
Geplaatst in Uncategorized | 1 reactie

Verhaal over Faalangst

Durf je, net als ik, soms dingen niet te doen omdat je bang bent dat anderen vinden dat je het verkeerd doet? Zo jammer. Zelfs dingen die je graag wilt doen en waarvan je weet dat je er goed in bent, laat je dan niet zien. Misschien probeer je het wel maar zodra je faalangst voelt opkomen, blokkeer je.

Faalangst… je bent het liever kwijt dan rijk. Ik ook. Maar ik vrees dat het me nooit zal lukken om er helemaal vanaf te komen… Gelukkig is het meestal onzichtbaar voor anderen maar ik voel wel dat het aanwezig is. t’ ls een klein maar krachtig onderdeeltje van mijn persoonlijkheid.

Ik vecht er niet meer tegen. Ik geef er ook niet meer aan toe. Want ik heb gemerkt dat dat averechts helpt. Wat ik tegenwoordig doe, is mijn faalangst als het ware bij de hand nemen wanneer ik bang ben om fouten te maken. Ik laat aan mijn faalangst zien dat ik toch door kan gaan. Soms maak ik dan wel fouten van de zenuwen, maar ik heb gemerkt dat hoe vaker ik durf dóór te zetten, hoe makkelijker en beter alles gaat. En achteraf ben ik altijd blij dat ik gedaan heb wat ik wilde doen. Ook als het niet zo goed ging als dat ik zou kunnen.

Het is jammer als je geen leuke of nodige dingen meer doet vanwege faalangst. Aan het feit dat je faalangst hebt, kun je niks doen. Maar je kunt wel zelf bepalen of je je erdoor laat belemmeren of niet.
Ik heb hier een verhaal over geschreven.

Verhaal over Faalangst.

Er waren eens twee vrouwen: Anne en Anja. Ze waren allebei zeer behulpzaam. Iedereen mocht hen graag.

Op een dag kwamen ze hun oude buurvrouw Granny tegen op de parkeerplaats. Het kostte haar duidelijk moeite om een kistje vol appels naar haar auto te dragen.
“Zullen we u even helpen?” vroegen Anne en Anja.
“Oh graag,” antwoordde mevrouw Granny.
Anne en Anja namen het zware kistje van haar over en tilden het samen naar haar auto.
“Bedankt,” zei de oude vrouw blij. “De appels zijn voor de appelcakes. Morgen vier ik mijn tachtigste verjaardag. Er komen wel zestig mensen op bezoek!”
“Wat leuk,” zei Anne.
“Gefeliciteerd,” zei Anja. “Gaat u voor al uw gasten appelcake maken?”
“Ja. Maar ik heb maar één oven, dus ik weet niet of het wel gaat lukken om alle appelcakes op tijd klaar te hebben.”

Anne wilde mevrouw Granny graag helpen. Granny was altijd heel aardig voor haar geweest, dus Anne wilde graag wat terugdoen.
Ik zou voor haar een appelcake kunnen bakken, of twee, dacht ze. Mijn oven is groot genoeg.
Opeens voelde ze een schok door haar heengaan. Ze kreeg een misselijk gevoel in haar buik en alles begon lichtjes te draaien. Het kwam door Faalangst. Faalangst hield zich meestal diep in haar binnenste verscholen maar kwam soms ineens boven.
Oh help, moet je me nou weer lastigvallen, Faalangst? dacht Anne. Door jou durf ik de buurvrouw niet te helpen met bakken. Ik ben bang dat ik de cake aan laat branden of dat het inzakt.
Zo hard als ze kon duwde ze Faalangst weg. Maar Faalangst duwde keihard terug en verschool zich pas weer nadat Anne zichzelf had horen zeggen: “Goh, nou mevrouw Granny, dan zal ik u niet langer meer ophouden. Tot ziens hoor, een fijne dag morgen!”
Anne liep weg en haalde verderop opgelucht adem.

Ook Anja wilde haar oude buurvrouw graag helpen. Maar net als Anne kreeg ze een schok door haar heen. Ze werd misselijk en draaierig. Dat gebeurde altijd als Faalangst weer eens de kop opstak. Maar in plaats van Faalangst weg te duwen, begroette ze hem.
Ah, Faalangst, ben je daar weer? Door jou vind ik het eng om appelcakes voor de buurvrouw te bakken. Maar kom, ga met me mee en ik zal je laten zien dat ik mevrouw Granny best kan helpen ondanks jouw aanwezigheid.
Mevrouw Granny was erg blij dat Anja aanbood haar te helpen.
Het was lang geleden dat Anja wat gebakken had en ze genoot ervan om eindelijk weer eens met bloem en boter in de weer te zijn. Faalangst liep haar af en toe wel voor de voeten. Daardoor had ze moeite om alle benodigdheden te vinden en moest ze wel twintig keer checken of ze wel het goede recept had.
Het kwam op tijd af. Faalangst bleef nog lang aan haar zijde, zelfs toen al het werk al gedaan was.
Heb ik het wel goed gedaan? Heb ik niet per ongeluk zout erin gedaan in plaats van suiker?
Pas toen mevrouw Granny een stukje van de cake had geproefd en tegen Anja had gezegd dat het heerlijk was, zakte Faalangst weer diep weg en kon Anja eindelijk ontspannen.

Een paar dagen later kwamen Anne en Anja buurman Verboom tegen. Hij probeerde zijn auto met een aanhangwagen vol houtblokken in te parkeren. Dat viel niet mee want het was een krappe bedoening.
“Kun je wat hulp gebruiken?” vroegen Anne en Anja.
“Nou graag”, zei Verboom, “kunnen jullie even op de uitkijk staan voor me?”
Anne en Anja gaven aan hoeveel ruimte er was en zo kon de buurman de aanhangwagen keurig op zijn plek zetten. Jan bedankte hen.
“Zo, dat zijn aardig wat houtblokken,” zei Anne. “Moeten ze allemaal naar je tuin gebracht worden?” vroeg Anja.
“Ja, ik moet gauw alles uitladen en opstapelen. Ik hoop dat ik het nog klaar krijg voordat het gaat regenen. Er komt een flinke bui aan, schijnt het.” Hij keek op zijn horloge. “En ik moet de kar ook nog terugbrengen.”

Anne wilde buurman Jan Verboom graag helpen. Ze vond Jan een hele aardige, knappe man.
Ik zou hem kunnen helpen met het uitladen en het stapelen. Dat is niet zo moeilijk, dacht ze.
Opeens voelde ze weer een schok daar haar heengaan. Ze werd misselijk en duizelig.
Oh help, Faalangst verpest het weer! dacht Anne.
Ze was ineens bang dat ze Jan in de weg zou lopen als ze Jan zou gaan helpen. Ze begon te twijfelen of de schorskant boven of onder moest. Ze zag al voor zich hoe de hele houtstapel zou wegrollen onder haar handen. Van binnen schold ze op Faalangst en ze commandeerde hem te verdwijnen. Maar Faalangst liet zich niet wegjagen en verschool zich pas weer nadat Anne zichzelf had horen zeggen: “Goh, nou Jan, ik kan je er helaas niet mee helpen. Ik eh… heb met tennissen mijn pols gekneusd. Tot ziens hoor!”
Anne baalde ervan dat ze deze mooie kans om even wat tijd met Jan door te brengen niet kon aangrijpen, maar toen ze wegliep was ze blij dat ze van het nerveuze gevoel af was.

Ook Anja wilde graag haar buurman helpen met het haardhout. Net als Anne kreeg ze weer een schok door haar heen. Ze werd misselijk en alles draaide.
Hallo Faalangst, je bent er weer, dacht Anja. Door jou vind ik het eng om hout te gaan stapelen. Maar kom, ga met me mee, ik zal je bewijzen dat het best goed zal gaan.
Jan Verboom reageerde blij toen Anja aanbood hem te helpen.
Het was erg gezellig om samen alle houtblokken op te stapelen. Faalangst zat af en toe wel een beetje in de weg. Anja liet daardoor een paar houtblokken uit haar handen vallen.
Faalangst bleef nog lang aan haar zijde, zelfs toen al het werk al gedaan was.
Heb ik er nou wel goed aan gedaan? Misschien was ik juist een blok aan zijn been in plaats van een hulp. Ik kon niet zo snel stapelen als hij…
Pas toen het begon te regenen en Jan zei dat hij blij was dat al het hout droog onder het afdak lag en dat hij dankzij Anja de kar op tijd terug kon brengen, verdween Faalangst in de diepte en kon Anja weer ontspannen.

Anne en Anja kwamen in hun leven nog veel andere mensen tegen die hulp konden gebruiken.

Anne hielp hen niet meer. Ze schrok namelijk steeds heviger wanneer ze Faalangst op voelde komen en het kostte haar steeds meer energie om Faalangst te verdringen. Ze werd een kei in het vermijden van situaties waarbij hij zich zou kunnen laten gelden. Helaas kreeg Faalangst haar zo steeds meer in zijn greep. Het werd voor Anne steeds moeilijker om haar eigen weg te gaan.

Anja daarentegen had Faalangst steeds beter leren kennen en schrok niet meer van hem. Ze had geleerd met hem om te gaan. Ondanks de aanwezigheid van Faalangst koos ze ervoor de dingen te blijven doen die ze wilde doen. Op die manier kreeg ze steeds meer vat op Faalangst. Het werd voor Anna steeds makkelijker om nieuwe wegen in slaan. En onderweg bleef ze mensen helpen, want dat deed ze nou eenmaal graag.

© Tine de Jong – Veenstra

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , | 1 reactie

Meer moois.

Het was een van de eerste warme dagen van het jaar. Rokjesdag. Gelukkig had ik nog net een plekje voor mezelf kunnen vinden op een boordevol terras. Kritisch bekeek ik mijzelf in een van de ruiten van het restaurant. Het was hoog tijd om weer eens naar de kapper te gaan, constateerde ik. En mijn blote benen die onder mijn jurk uitstaken leken wel melkflessen. Mijn buikje hield ik angstvallig in.

Toen zag ik drie beeldschone vrouwen op het terras zitten. Als ik ze niet met mijn eigen ogen had gezien zou ik nooit geloven dat het mogelijk was dat mensen er zo mooi uit konden zien! De vrouwen staarden voor zich uit. Nieuwsgierig bleef ik hen gadeslaan. Opeens sloegen ze alle drie tegelijkertijd hun gebruinde, gladde benen over elkaar heen. Met hun sierlijke handen tilden ze hun wijnglazen op en dronken ze die met hun welgevormde mond in een teug leeg. Daarna stonden ze op en wenkten ze de ober. De wulpse welvingen van hun lichamen trok duidelijk de aandacht van de nerveus aandoende ober die richting hun tafeltje snelde.

“U wilt afrekenen?” vroeg de ober.
De drie vrouwen bewogen langzaam hun hoofden van links naar rechts. Hun lange haren glinsterden als goud in de zon.
Ze fluisterden iets tegen de ober. Ik spitste mijn oren.
“Wij willen meer”, meende ik te verstaan.
“Nog wat meer wijn?” vroeg de ober op onzekere toon.
“Nee, wij willen méér,” zei een van de vrouwen.
“Net als de vorige keren,” zei de tweede vrouw.
“Wij willen meer moois. U weet best wat we bedoelen,” zei de derde vrouw geïrriteerd.
De ober zuchtte: “Weer meer, maar u heeft alles al. Beste dames, het kan niet meer meer.”
“Wij bestellen meer moois,” drongen de drie vrouwen in koor aan. Ze begonnen ongeduldig heen en weer te wiebelen.
Na een korte hoofdknik van de ober schoven de vrouwen hun stoelen resoluut naar achteren en liepen ze in een rijtje achter de ober aan het restaurant binnen.

Hier moest ik meer van weten. Vlug volgde ik hen. Ze leken me gelukkig niet op te merken.
Ze liepen haastig door naar achteren, via de zalen met tafels en stoelen, langs vele gasten (die hen vol bewondering nastaarden), twee trappen af, een lange gang door voor ze verdwenen achter een dikke schuifdeur. Waarom gingen ze daarheen? Wat bedoelden ze met meer moois?

Ik wachtte. Lang. Erg lang. Af en toe hoorde ik vreemde geluiden die ik niet kon thuisbrengen. Het intrigeerde me steeds meer. Opeens hoorde ik drie harde kreten. Waren dat kreten van verbazing, verwondering of van afschuw? Voordat ik een antwoord kon bedenken, schoof de deur traag open. In een reflex drukte ik mezelf zo plat mogelijk tegen de muur naast de deur in de hoop dat ze me voorbij zouden lopen zonder me te zien.

De drie dames liepen schuifelend achter elkaar aan naar buiten. Ze droegen donkere sluiers die hun haar en lichamen totaal bedekte. Ik volgde hen op afstand de lange gang door, de twee trappen op en door de zalen met vele gasten. Het viel mij op dat dit keer niemand, binnen noch buiten, aandacht schonk aan de drie dames. Ze hielden op straat een taxi aan.
Ik weet niet waar ik het lef vandaan haalde, maar ik hoorde mezelf ineens roepen: “Taxi! Wacht! Ik wil ook mee!” En voor ik het wist zat ik voorin de taxi met op de achterbank de drie vrouwen. Ik keerde me naar hen toe. “Mag ik weten wat er in het restaurant gebeurd is?” vroeg ik.
De dames keken elkaar even aan en maakten een onverschillig gebaar.

We reden zwijgzaam de stad uit. De dames lieten de taxi stoppen in the middle of nowhere, waarna zij en ik uitstapten.
Toen de taxi wegreed, begon een van de vrouwen te vertellen: “Drie dagen geleden bestelden we op het terras meer schoonheid. De ober nam ons mee achter de schuifdeur en gaf ons meer glans in onze haren en sterkere nagels. Plus een strakkere huid en wittere tanden.”
De tweede vrouw vulde haar aan: “Eergisteren bestelden we nog meer schoonheid. Toen kregen we langere benen, slankere armen, stevigere boezems en een rankere nek.”
“En gisteren kregen we meer schoonheid dan iemand ooit had gezien,” zei de derde vrouw.
Ik besefte dat ik inderdaad nog nooit iemand had gezien die mooier was dan zij. “Toch wilden jullie vandaag nóg meer moois”, zei ik.
Toen dropten de drie vrouwen hun sluiers op de grond. Ik schrok me wezenloos van hetgeen ik zag: de vrouwen hadden elk vier benen en vier borsten. En op hun achterhoofd zat een extra paar ogen. Ogen die huilden.
De vrouwen verhulden zich weer onder de donkere sluiers en namen afscheid van me.

Peinzend liep ik de lange weg terug naar de stad. En met elke stap die ik dichter bij de stad kwam, groeide mijn tevredenheid over mijn eigen lichaam.

 

© Tine de Jong – Veenstra

 

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , | 2 reacties

Zeilen in de woestijn.

Er woonde eens een jongen in een woestijndorp. Hij droomde dag en nacht van een eigen zeilschip. Maar hij had geen geld om ook maar het kleinste scheepje te kopen. Er was in de woestijn ook geen water te bevaren. Toch wilde hij zielsgraag zeilen.

Elke keer als hem gevraagd werd wat hij later wilde worden, dan zei hij: ”Schipper.” Alle bewoners van het woestijndorp lachten hem uit.

Als klein jochie knoopte hij zijn zakdoek tussen twee potloden. Zodra het begon te waaien stak hij die potloden in de lucht. Hij schaterde het uit van plezier omdat hij zo precies kon voelen waar de wind vandaan kwam.
“Niet doen,” zeiden zijn ouders. “Je zakdoek is om je neus mee te snuiten en potloden zijn om mee te tekenen.”

Toen hij iets ouder was, knoopte hij zijn T-shirt tussen de touwen van een schommel. Het begon zo hard te waaien dat de schommel omhoog bleef staan. Dat vond hij geweldig, omdat hij zo precies kon zien met hoeveel kracht de wind ertegen duwde!
“Niet doen,” zeiden zijn ouders. “Je T-shirt is om te dragen en de schommel is om op te schommelen.”

Nog iets ouder knoopte hij zijn laken tussen twee palmbomen. Hij bekeek vol interesse hoe de bomen meebogen met de wind. “Mag ik de bomen kappen?” vroeg de jongen. “Ik wil één stam uithollen. Dat wordt de romp van mijn boot. En van de andere stam maak ik de mast.”
“Niet doen,” zeiden zijn ouders. “Je laken is om onder te liggen en de bomen dienen voor schaduw.”

“Wat bezielt dat kind toch steeds?” dachten alle dorpelingen. “Hij kan beter leren hoe hij tenten kan bouwen en hoe hij op dieren kan jagen.”

Toen hij een jongeman was, gebeurde er iets dat niemand had verwacht; door een wolkbreuk overstroomde het hele woestijndorp. Iedere inwoner verdronk. Ook de jongeman die altijd braaf naar zijn ouders had geluisterd.

 

© Tine de Jong – Veenstra.

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , , | 3 reacties

Kerstgedicht

bij kerstgedichtKerstmis. Wat betekent het voor jou?
Lekker eten naast een kerstboom
of een hoop gestress en kou?
Ik hoop dat je gelukkig bent
met vrienden en gezin
Maar misschien voel jij je nu
extra eenzaam binnenin…

Weet je
wat kerst voor mij is?
Licht
in de duisternis
De herinnering aan wat we kregen;
Gods liefde om door te geven

Laten we in vrede leven
Met onszelf
en met elkaar
Ik wens jou een heel fijn kerstfeest
en een echt gelukkig nieuwjaar!

Tine de Jong – Veenstra

 

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , | Een reactie plaatsen

De lelijke gemene heks die een mooie goede fee wilde zijn.

In een Sprookjesbos, hier niet ver vandaan, leefde eens de lelijke gemene heks Hexya. Ze was het spuugzat om door alle kabouters, eenhoorns, prinsen op witte paarden en alle andere sprookjesfiguren altijd maar lelijk en gemeen gevonden te worden. Alle scheldwoorden en vervloekingen die jarenlang naar haar hoofd waren geslingerd, alle keren dat ze in ravijnen en ovens was geduwd, hadden haar diep gekrenkt.

Hexya klopte aan bij de grote tovenaar, die alle wezens van het Sprookjesbos vorm gaf. “Ik wil vanaf nu een mooie goede fee zijn! De mooiste goede fee die er bestaat,” riep ze.
“Ik kan je het uiterlijk geven van een fee, maar je gedrag bepaalt of je goed bent of niet. Daar zul je zelf aan moeten werken…”
“Mij best,” zei de lelijke gemene heks. En ze dacht: voor wie mooi is, is het een makkie om goed te zijn.
De tovenaar toverde haar om tot een mooie fee, nog mooier dan alle feeën die hij ooit gezien had. “Kijk, je bent nu een fee en je nieuwe naam is: Fayh.”
Zichzelf bewonderend draaide ze rond voor de spiegel. “Het is gelukt!” riep ze enthousiast uit.
“Dat moeten we nog zien,” mompelde de tovenaar. “Succes Fayh.”

Ze huppelde blij naar een groepje feeën die hun vleugels aan het poetsen waren. Vergenoegd bekeek ze haar eigen vleugels die schitterden als kristal in het zonlicht.
“Kun je me even helpen?” vroeg een kleine fee. “Er zit een vlekje op mijn vleugel, maar ik kan er net niet bij. Wil jij het afvegen?”
“Dat wil ik wel als je mij jouw toverstafje geeft,” antwoordde Fayh.
“Dat is goed hoor,” zei de kleine fee.
Fayh veegde haastig het vlekje weg en pakte de toverstaf. Trots zwaaide ze ermee in het rond. Nu hoor ik er echt bij, dacht ze.

Toen kwam er een fee aanvliegen met een prachtig jurkje aan. Fayh had ineens het gevoel dat ze zelf oude lompen droeg. Gauw toverde ze haar eigen jurkje om in een nog veel mooier exemplaar en ze lachte: “Ik ben nu echt de mooiste goede fee!”
“Je ziet er inderdaad heel mooi uit,” zei de kleine fee, “maar het is niet goed om de toverstaf voor jezelf te gebruiken.”
Ach wat! Recalcitrant toverde Fayh er nog een paar bijpassende schoentjes bij en ze trok ze aan.
“De toverstaf mag alleen gebruikt worden voor anderen die in nood zijn,” waarschuwde de kleine fee.
“Pfft, wat een zeurpiet ben jij. Je denkt toch niet dat ik er zo suf bij ga lopen als jij!” zei Fayh. Geïrriteerd toverde ze heleboel klodders kleverige klei op de vleugels van de kleine fee. Ze dropen van haar tere vleugeltjes op de grond. De kleine fee plakte daardoor aan de grond vast. Fayh genoot van haar gejammer en toverde nog meer klodders te voorschijn, tot de andere feeën beschermend om de kleine fee heen gingen staan. Fayh liep met opgeheven hoofd weg.

Even later liet ze haar hoofd bedroefd zakken. Wat heb ik gedaan, dacht ze. Ik wil zo graag bij het clubje van goede feeën horen! Hoe kan ik dat nou nog voor elkaar krijgen? Oh wacht, ik weet het; ik moet gewoon een goede daad doen!

Ze hoorde een jong hertje huilen. Het was verdwaald in het bos. Het riep om zijn moeder.
Fayh zag dat er veel feeën toesnelden, maar Fayh was als eerste bij het hertje aanbeland.
Goed zo, dacht Fayh, nu kan ik mooi aan iedereen laten zien hoe behulpzaam ik ben!
“Ik zal je moeder wel even zoeken,” zei ze tegen het huilende hertje. Ze vloog hoog de lucht in en tuurde rond.
“Zie je haar al?” vroeg het hertje na een minuutje.
“Nee!” riep Fayh. De vele bomen in het Sprookjesbos belemmerden haar zicht. Fayhs vleugels werden zwaar van het gefladder. Wat vermoeiend is dit, dacht ze. Had ik maar een bezemsteel!
Het hertje begon harder te huilen.
Fayh schreeuwde vanuit de hoogte: ”Hou op met dat gejank! Ik kan er niet tegen. Als je zo doorgaat met blèren moet je het zelf maar uitzoeken!”
Het hertje snikte: “Jij bent geen goede fee… Mama! Ik wil mijn mama!”

Een andere fee kwam naast het jonge hertje staan. Ze praatte op zachte toon met hem. “Ik blijf bij je tot je mama weer bij je is, goed? Zullen we haar samen gaan zoeken?”
Het hertje knikte. “Jij bent lief,” zei hij.
Fayh voelde zich ineens groen worden van jaloezie. Ze wees boos met haar toverstok naar de fee en toverde haar om in een dikke vette kikker. Daarna toverde ze het hertje om in een mug.
“Net goed!” dacht Fayh.
De kikker at de mug op.
Mijn hemel! schrok Fayh. Wat heb ik nou weer gedaan?

Zo snel als ze kon, maakte ze dat ze weg kwam. In haar haast botste ze tegen een paar boomtakken aan. Haar vleugels raakten bekrast en werden vies, waardoor hun vliegkracht afnam. Bah, nu moet ik ze zeker gaan wassen. Geen zin in. Weet je wat, ik ga naar zee. Daar spoel ik ze zo weer schoon.

Toevallig hoorde ze iemand snurken. Een reus? Nee, het was een heks! Ze lag op de grond slapen. Met een bezemsteel ernaast! Als heksen snurken, zijn ze met nog geen twintig kanonschoten wakker te krijgen, wist Fayh. Kwam dat even goed uit!

Zelfverzekerd nam Fayh plaats op de bezemsteel. “Vlieg naar de zee,” commandeerde ze.
De bezemsteel wiebelde en schudde maar steeg niet op. “Jij bent geen heks,” zei de bezemsteel, “ik luister niet naar jou.”
“Wel heb ik ooit!” riep Fayh, “hoe durf je!” Ze toverde een vlammetje en stak daarmee het uiteinde van de bezemsteel in brand. “Zo! Vliegen zul je! Gauw naar de zee als je het vuurtje op tijd wilt doven.”
Zo, dat heb ik slim aangepakt, dacht Fayh. Ze hield zich stevig vast en hup, daar vloog ze op de bezemsteel als een speer de lucht in, richting de zee.

Het vuur werd heviger en de bezemsteel werd steeds kleiner. Fayh kreeg het er warm van en spoorde de bezemsteel nog harder aan: “Schiet op, slome!” Al gauw zag ze het strand. “Stop hier!”
De bezemsteel smeekte: “Laat me in het diepe water landen, om het vuur te doven.”
“Nee,” zei Fayh onverbiddelijk, “Jij moet gewoon doen wat ik zeg!” Ik heb geen zin om helemaal nat te worden.
De bezemsteel hield halt op het strand. Fayh stapte af en liep naar de waterkant. Ze boog langzaam voorover en liet haar vleugels in het water hangen. Kon iemand maar even helpen het water over mijn vleugels te spoelen, dacht Fayh. Zou de bezemsteel niet voorzichtig het vuil af kunnen vegen?
Ze keek even om. Ze zag dat er niks anders meer over was van de bezemsteel dan een verkoold takkenbosje.
Oh oh, dacht Fayh. Ik ben niet goed bezig. Ik moet me leren beheersen! Ik moet beter mijn best doen om mij goed te gedragen.

In de verte zag ze twee zeemeerminnen spelen. Wat zijn ze toch lenig en elegant. Ze riep hen en ze kwamen nieuwsgierig naar haar toe.
“Jij bent de mooiste fee die ik ooit gezien heb!” zongen ze in koor.
“Ik zal jullie benen geven. Dat willen zeemeerminnen toch graag?”
“Benen? Oh wauw! Wat aardig! Ja graag!”
“Dan kunnen jullie wel even mijn vleugels schoonspoelen, hè? Ik wil dat ze nog meer glanzen dan jullie schubben.”
De zeemeerminnen poetsten Fayhs vleugels tot ze glommen als nooit tevoren. Als extra service vlochten ze haar lange haren in een fantasievolle vlecht.
Content keek Fayh in de weerspiegeling van het zeewater. Daarna keek ze bedenkelijk naar de zeemeerminnen. Ze zwaaide met haar toverstaf en veranderde hun staarten in benen. In harige mannenbenen met lompe voeten.
Geschrokken vroegen de zeemeerminnen: “Kun je ons benen geven die beter bij ons passen?”.
“Waarom zou ik?” siste Fayh. Ik ben me daar gek! Dan zijn ze mooier dan ik! Ik wil de mooiste blijven in het Sprookjesbos.

Onwennig en teleurgesteld wandelden de zeemeerminnen weg. De ene zeemeermin fluisterde in het oor van de ander: “Ze heeft het uiterlijk van de mooiste goede fee…” De andere zeemeermin fluisterde aanvullend: “maar ze heeft het karakter van de lelijkste gemene heks.”
De brutaliteit, dacht Fayh. Ik hoor het wel hoor! Ik laat me niet meer uitschelden! Nooit meer!
Woedend veranderde ze de beide zeemeerminnen in vissen. Ze liet hen hulpeloos spartelen in het strandzand.
Dat zal ze leren, dacht ze. Die ondankbare nesten!

Ze schudde haar schitterende vleugels droog en vloog weg. Ze moest zigzaggend door een groep krijsende meeuwen heen die op de vissen afkwamen. Vervolgens wist ze niet wie ze harder hoorde krijsen; de meeuwen of de zeemeerminnen toen ze door hen werden verslonden. Het ging door merg en been. Dat bracht Fayh bij zinnen. Treurig zag ze in dat de zeemeerminnen de waarheid hadden gefluisterd…

Plotseling stond de grote tovenaar voor Fayhs mooie neusje.
Hij zei: Ik weet dat je geen lelijke gemene heks wilt zijn. Helaas is het je niet gelukt om een mooie goede fee te zijn. Je past nu niet meer tussen de heksen noch tussen de feeën. Daarom ontneem ik nu jouw toverkracht en verplaats ik je naar de mensen wereld. Daar pas jij prima tussen, want alle mensen willen graag mooi en goed zijn. Ze doen hun hele leven hun uiterste best daarvoor, maar toch zijn er slechts enkelen die er in slagen.

 

Door Tine de Jong – Veenstra

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , | 1 reactie

De vrouwen in het duistere huis.

Zo’n veertig jaar geleden stond er in een verre uithoek van de wereld een duister huis. Het was zwartgeschilderd aan de buitenkant en de donkere gordijnen waren altijd gesloten. Het dichtstbijzijnde dorpje was op 200 km afstand. Geen enkele dorpsbewoner wist hoe het duistere huis er van binnen uitzag, want niemand van hen durfde er ook maar één voet binnen te zetten. Wat ze wel wisten, was dat er twee vrouwen woonden. Een moeder met haar dochtertje. Zij kwamen nooit in het dorp. Ze verbouwden bijna al het voedsel dat ze nodig hadden zelf. Heel sporadisch bestelden ze wat andere dingen, maar twee of drie keer per jaar. Degene die het bracht, klopte dan met angst en beven aan en maakte dat hij wegkwam. Het scheen dat de moeder niet van mensen hield. Behalve dan als maaltijd. En ze kon niet tegen zonlicht.

Het meisje ging niet naar school. Haar moeder gaf haar les. Het meisje wilde eigenlijk heel graag naar de school in het dorp, maar het was te ver weg om elke dag naar toe te rijden en weer terug.
Gelukkig verveelde het meisje zich nooit toen ze nog klein was. Ze vermaakte zich elke dag met de kippen, koeien en konijnen die rond hun huis liepen. Ondertussen leerde ze Franse woordjes uit haar hoofd of hele stukken tekst uit haar geschiedenisboek.

Op haar 16e verjaardag vertelde haar moeder dat ze haar alles had geleerd wat ze zelf wist. Het meisje barstte in tranen uit. Ze was ontzettend leergierig en wilde graag verder leren. Ze zou naar een kostschool kunnen gaan, maar ze wilde haar moeder niet alleen achterlaten.
Omdat haar dochter ontroostbaar was, besloot de moeder een advertentie te plaatsen in het dorpskrantje: privéleraar gezocht. Niemand reageerde. De mensen waren als de dood voor het tweetal in het duistere huis. Bovendien was het een hachelijke onderneming om er te komen; eerst moest je langs een diepe ravijn, vervolgens door een dichtbegroeid woud en daarna langs een steil slingerend zandweggetje omhoog.

Weken gingen er voorbij. Moeder plaatste nog een advertentie waarin ze aangaf dat ze het uurloon van de privéleraar verdrievoudigde. Weer reageerde niemand. De weken werden maanden. Het meisje was inmiddels uitgegroeid tot een jongedame. Bloedmooi, maar ook een beetje bitsig. Misschien kwam dat laatste omdat ze geestelijk niet meer genoeg uitgedaagd werd. Voor de derde keer zette moeder een advertentie. Dit keer plaatste ze er een foto van haar mooie dochter bij.
Eindelijk kwam er een reactie. Welgeteld één leraar durfde het aan om één keer in de week naar het duistere huis te rijden om het meisje les te geven.

Het meisje was nieuwsgierig naar hoe hij zou zijn. Zou hij knap zijn? Aardig? Vrijgezel?
Hij overtrof haar stoutste verwachtingen. Hij had een gebronsde huid, blauwe ogen en een brede lach… en ze zag direct dat hij geen ring droeg. “Mooi zo,” dacht de jongedame, “mijn leven gaat eindelijk beginnen.” Toen zij zich aan hem voorstelde, herhaalde hij twee keer langzaam haar naam. Vergiste zij zich of gleden zijn ogen goedkeurend over haar lichaam?

Hij was een goede leraar en zij was een ijverige leerlinge. Alles wat hij zei, schreef ze op. Niet alleen omdat ze niets van de lesstof wilde vergeten, maar ook omdat ze het fijn vond om zijn stem in haar hoofd te horen als ze haar geschreven tekst herlas.

Hij kwam elke maandag. De weken vlogen voorbij. De dagen tussen de maandagen in bracht zij door in een droomtoestand, mijmerend over hem. Hij keek haar steeds iets langer aan en lachte ook steeds iets vaker naar haar. Als ze iets niet begreep, kwam hij kwam steeds iets dichterbij zitten om de stof nogmaals uit te leggen. Hij rook zo lekker dat ze er duizelig van werd.

“Ik moet hem laten weten hoe leuk ik hem leuk vind,” dacht ze, “maar hoe?” Moeder liet dochterlief nooit alleen met de leraar. Tijdens elke les hield ze achterin de studeerkamer een oogje in het zeil. Het meisje baalde daarvan, maar ze durfde dat niet tegen haar moeder te zeggen. Want dat leek zo ondankbaar.

Ze bedacht een plannetje; het was de volgende maandag Valentijnsdag, een perfect moment om hem de liefde te verklaren! Op die maandagochtend ging ze wandelen. “Blijf niet te lang weg, want vanmiddag heb je weer les,” riep haar moeder haar na. De jongedame liep langs het slingerende zandweggetjes naar beneden. Na uren lopen kwam ze bij de bosrand. Ze liep door tot ze halverwege het bos was. In de verte zag ze een auto aankomen. Dat moest hem zijn! Ze wachtte tot hij zijn auto naast haar stilzette en vertelde hem toen dat ze in het bos verdwaald was geraakt en daarom niet op tijd voor de les thuis was. “Stap maar in,” zei hij vriendelijk.

Ze zat naast hem en wist niet wat ze moest zeggen. Ze kon toch niet out of the blue over haar gevoelens beginnen? Zoekend naar woorden keek ze naar zijn gebruinde handen op het stuur. Toen schrok ze. Hij droeg een ring!
Hij merkte dat ze naar zijn ring staarde. “Mooi hè,” zei hij, “die heb ik vanochtend van mijn vriendin gekregen.”
“Ik wist niet dat je een vriendin had,” bracht ze uit.
“Had ik ook niet. Maar vanochtend kreeg ik dit van een meisje.”
“Ben je verliefd op dat meisje?”
“Ik denk dat ik wel een beetje verliefd ben, ja,” antwoordde hij.
Het meisje schreeuwde in zichzelf: “Een béétje verliefd, dénk je? Ik ben smoorverliefd op je! Ik wil je ook wel een ring geven maar nu ben ik te laat!” Ze sprak het niet uit en begon maar over een aardrijkskunde opdracht die ze niet snapte. Ondertussen voelde ze hoe haar hart als een ruïne afbrokkelde.

Toen haar moeder zag dat haar dochter uit de auto stapte, was ze opgelucht dat ze ongedeerd terug was. Maar later maakte ze zich zorgen. Haar dochter leek niet meer zo goed op te letten tijdens de les.

Nog steeds kon zij haar ogen niet van hem afhouden, maar het maakte haar nu verdrietig in plaats van blij. Ze wist dat zij hem nooit zo zou kunnen aanraken zoals ze dat zou willen. De hele tijd gonsden er twee zinnetjes door haar hoofd: “Had ik maar eerder gezegd wat ik voor hem voelde. Nu ben ik te laat.” Ze werd er gek van. Hem elke week zien, horen en ruiken zonder hem te mogen proeven was een kwelling voor haar. Weken gingen voorbij en de weken werden maanden.

Drie dagen voordat haar ze 18 werd, merkte ze tijdens een les dat hij geen ring meer droeg! Haar hart maakte geen sprongetje maar een viervoudige salto. Hij fluisterde in haar oor: “De nacht waarin je 18 jaar wordt, wil ik alleen met jou zijn. Kom je tijdens middernacht in het bos?”

De laatste dagen van haar 17e levensjaar at ze niet meer en sliep ze niet meer, zo zenuwachtig was ze voor haar afspraakje. Eindelijk zou ze hem kunnen tonen hoeveel ze van hem hield!

Ze ontmoetten elkaar op dezelfde plek als waar zij maanden geleden zogenaamd verdwaald raakte. Hij opende uitnodigend het portier van zijn auto en zij sprong dit keer meteen bij hem op schoot. Ze voelde zich vrij en gaf zich helemaal. Het was een lange, fantastische nacht.

Toen de vogels in de toppen van de bomen hun ochtendlied begonnen te fluiten, vroeg ze gelukzalig aan hem: “Zie ik je maandagmiddag weer?”
“Nee, ik kom niet meer,” zei hij tot haar verbazing. “Ik ga trouwen.”
“Maar… maar.. je draagt haar ring niet meer..,” stamelde ze.
“Die ligt bij de juwelier. Onze datum wordt erin gegrafeerd. Mijn vrije leventje is voorbij, daarom neem ik nu afscheid van al mijn leerlingen. Ik moet je een compliment geven: deze nacht was het lekkerste afscheid van allemaal.”

Het meisje dat nog maar net een vrouw was geworden, griste de autosleutel uit het slot en sneed met een ferme uithaal de keel van haar geliefde door.
Ze duwde zijn auto helemaal door het donkere bos tot aan de ravijn en liet hem daarin verdwijnen.

Na 16 jaar is er weer een oproep geplaatst voor een privéleraar. Niemand, maar dan ook werkelijk niemand, durft les te gaan geven in het duistere huis waar nu drie vrouwen wonen.

Geschreven door Tine de Jong – Veenstra.

Geplaatst in Uncategorized | Tags: , | Een reactie plaatsen