De terugkerende droom

Ze was moe. Zo moe. Moe van het gestress op haar werk, moe van het gejengel van haar kleine kinderen, moe van de veeleisendheid van haar man en vooral moe van het geregel om werk, kinderen en relatie te kunnen blijven combineren.

Steeds vroeger ging ze naar bed. Ze sliep zodra haar hoofd haar kussen raakte. Elke dag moest ze vroeg eruit want als de wekker haar niet wakker maakte, deed haar peuter het wel.

Ze herinnerde zich vaak een droom zodra ze wakker werd. Een terugkerende droom. Vroeger had ze die droom ook wel eens gehad. Zeker weten deed ze dat niet, maar ze had het gevoel dat ze in haar laatste dromen plekken herkende die ze al eerder in oude dromen had bezocht. Steeds wanneer ze de volgende ochtend probeerde haar droom op te schrijven, lukte het haar niet. Ze kon de beelden niet weer oproepen. Het enige wat ze wist, was dat ze in die terugkerende dromen steeds maar weer op zoek was naar een bepaalde markt: ze liep verdwaald door de straten van een stad die in werkelijkheid niet bestond, maar waarvan ze wel de gebouwen, die ze onderweg zag, herkende uit voorgaande dromen. En elke keer kwam ze dichter bij waar ze heen wilde: de markt. Maar wat het precies was wat ze daar zocht, wist ze nooit als ze wakker werd.

Op een avond kon ze haar ogen bijna niet meer open houden tijdens een etentje met haar man. “Waar is de bruisende vrouw gebleven waar ik verliefd op was? Je bent helemaal niet gezellig meer.”
“Sorry, ik houd het gewoon niet meer vol”, zuchtte de vrouw.
“Saai hoor! Altijd maar moe. En dat terwijl je iedere avond al uren ligt te pitten wanneer ik naar boven ga,” zei haar man. “De volgende keer neem ik de oppas wel mee uit.”

De volgende dag had ze gelukkig een vrije dag. Ze besloot om weer in bed te kruipen nadat ze haar kinderen naar school en kinderopvang had gebracht. Ze hoopte vurig dit keer de markt te vinden in haar droom voordat ze wakker zou worden.

Ze rende gehaast door de winkelende menigte naar de boogbrug. Ze kreeg het er bloedheet van, haar t-shirtje plakte aan haar lijf. Aan de overkant van de rivier kon ze kiezen tussen twee wegen. Ze koos het omhoogslingerende beukenlaantje dat naar de top op een van de heuvels leidde. Ze voelde dat daar iets belangrijks moest zijn. Af en toe rustte ze even in de schaduw om af te koelen. De warme zomerzon stond op zijn hoogst aan de hemel. Eenmaal boven schitterde de zilveren toren van de grote kerk haar tegemoet, die op de tweede heuvel stond. Ze wist dat ze geen tijd te verliezen had. Haar benen voelden loodzwaar, maar haar hart voelde nog nooit eerder zo licht.

En toen was ze er ineens. Op het marktplein. De markt was verlaten. Er waren geen kraampjes, geen mensen, geen duiven… Was ze te laat? Ze liep naar het midden van het plein en zakte daar langzaam op haar knieën. Behoedzaam betastte ze de gladde donkere straatstenen die opgewarmd waren door de zon. Ze voelden aangenaam, bijna zacht. Ze ging op de stenen liggen, op haar rug, en keek naar de lucht. Geen wolkje te zien. Ze hoorde geen geluiden. Ze zuchtte diep en sloot toen haar ogen. Ze viel met een vredig gevoel in slaap.

Toen ze wakker werd, lag ze in het midden van een kring mensen die bezorgd op haar neer keken. Een onbekende, knap uitziende man, stapte naar voren en boog zich over haar heen.
“Gaat het wel?” vroeg hij, “Je was flink uitgegleden. Het is ook zo verraderlijk hè, die ijzel. Doe maar rustig aan, ik help je wel.”
Ze nam zijn uitgestoken hand aan en liet zich door de man omhoog trekken. In zijn ogen zag ze iets vertrouwds, alsof ze hem uit een vorig leven kende.
Ze keek in het rond en bibberde even. Traag sloeg ze de sneeuw van haar jas.
“Je ziet er een beetje moe uit. Zal ik je maar even thuisbrengen? Waar woon je?” vroeg de man vriendelijk.
Even moest ze nadenken. Waar woonde ze ook alweer? Het moest door de val op haar hoofd komen. Opeens wist ze het weer: “Ik woon hier vlakbij, naast de kerk met de zilveren toren.”
Ze stelden zich aan elkaar voor en wandelden vervolgens samen over het gezellig verlichte marktplein langs de vele stoffen-, fruit- en kerstkramen naar haar huis Veel marktlieden groetten haar en zij groette hen terug. Ze kende hen bijna allemaal bij naam.
Vier jaar later luidden de kerkklokken in de zilveren kerktoren extra feestelijk vanwege het huwelijk van twee mooie, liefdevolle mensen. Ze noemden hen met recht een droompaar.

Door Tine de Jong-Veenstra

Advertenties

Over tinexpression

Tine is getrouwd en heeft drie kinderen. Ze is auteur van DROOM 'R OVER (jeugd 11-18 jaar) en NABIJ DE LIEFDE (gedichtenboekje), ontwikkelt nieuwe spellen op maat die gevoelige onderwerpen bespreekbaar maken en is huiswerkbuddy.
Dit bericht werd geplaatst in Uncategorized en getagged met . Maak dit favoriet permalink.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s